Blog: Nabijheid in tijden van corona (13)

Maandag 30 maart

Waar vandaag over te schrijven? Ik wist het niet goed. Teveel en te weinig stof, even geen corona of toch maar weer wel… Achter mijn bureau gezeten keek ik omhoog, naar de boeken die daar staan. Eén titel springt in het oog: ‘Misschien wisten zij alles’, van Toon Tellegen. Ja, misschien weten zij daar in dat boek – de eekhoorn, de mier, de olifant, de karper – wel alles. Antwoorden op vragen die we nog niet eens gesteld hebben. Over hoe het zal zijn, of er wel wat zal zijn. Of misschien weten ze het ook wel niet. Maar een mooi verhaal is er wel.

 

Eekhoorn en mier

Op een ochtend liepen de eekhoorn en de mier door het bos.
“Waar gaan we eigenlijk heen?” vroeg de eekhoorn?
“Naar de verte,” zei de mier.
“O,” zei de eekhoorn.
Het was een mooie dag en ze liepen het bos uit, de verte in.
“De wereld is zó groot, eekhoorn…” zei de mier.
“Ja,” zei de eekhoorn.
“En hoe verder je loopt hoe groter hij wordt,” zei de mier.
De eekhoorn zweeg.
“Dus eigenlijk,” ging de mier verder, “als je maar altijd doorloopt, is hij oneindig groot.”
De eekhoorn knikte, maar wist niet wat oneindig was en hij geloofde niet dat iemand altijd zou kunnen doorlopen. Hij dacht zo diep mogelijk na.
Als ik ga zitten, dacht hij, zou de wereld dan weer kleiner worden? En als ik dan altijd blijf zitten? Hij vond dat een ingewikkelde gedachte en besloot alleen nog maar om zich heen te kijken.
Ze liepen door een onafzienbare vlakte. Zo nu en dan passeerden ze een rotsblok, en boven hun hoofd zeilde soms een klein wit wolkje door de reusachtig blauwe lucht.  Urenlang liepen ze door. Toen stonden ze plots voor een muur. Het was een grote, hoge muur.
Er groeide klimop tegen en de stenen waren brokkelig en verweerd. Ze liepen een eind langs de muur. Er was nergens een gat of een poort, en er kwam ook geen eind aan de muur.
“We kunnen niet verder,” zei de eekhoorn.
“Maar we kunnen er wel overheen,” zei de mier. “Kijk uit.”
Hij stapte op de schouders en het hoofd van de eekhoorn en klom op de muur.
“Wat is er aan de andere kant?” vroeg de eekhoorn.
Het was een lange tijd stil. Toen zei de mier: “Niets.”
“Maar wat zie je dan?” vroeg de eekhoorn.
“Niets.”
“Maar als je naar beneden kijkt, zie je dan geen grond?”
“Nee.”
“En lucht? Je ziet toch wel lucht?”
“Nee. Ook geen lucht.”
“Is het er dan donker?”
“Nee,” riep de mier. ‘Het is er niets.”
Het was even stil. De eekhoorn dacht na.
“Is het er soms heel oud?” vroeg hij toen. “Of grijs?”
“Nee,” zei de mier. “Ook niet.”
“Kan je er iets horen?”
“Nee,” zei de mier. “Niets.”
“Is het er dan helemaal stil?”
“Nee.”
“Maar als je niets hoort, dan is het toch stil?”
“Ja,” zei de mier. “Dat dacht ik ook. En toch is het er niet stil. Het is niets.”
“Maar dat kan niet,” zei de eekhoorn.
“Nee,” zei de mier.
De eekhoorn dacht een tijd na.
“Waar ruikt het naar?” vroeg hij toen?
“Het ruikt niet,” zei de mier.
De eekhoorn zweeg en dacht weer een tijdje na.
“Als je kon vliegen, kon je er dan overheen vliegen?” vroeg hij toen.
“Waaroverheen?”
“Daaroverheen.”
“Er is geen daar. Dat zeg ik je toch. Er is niets!”
“Kan je je dan niet aan de andere kant naar beneden laten zakken?”
“Er is geen andere kant! Er is maar één kant. En nu moet je niets meer vragen!”
De mier stapte weer op het hoofd van de eekhoorn en sprong op de grond.
Ze gingen met hun rug tegen de muur in het gras zitten.
Een hele tijd zwegen ze. Toen zei de eekhoorn: “Wat hebben we ver gelopen.” Hij keek over de enorme vlakte die zich uitstrekte tot het bos dat niet groter was dan een klein zwart puntje op de horizon.
De mier zei niets. De eekhoorn kon zien dat hij nadacht. Het was alsof hij ergens niet op kon komen. Er stonden dikke rimpels op zijn voorhoofd.
Even later begon de mier een gat te graven onder de muur dood. Driftig vloog de grond omhoog. Maar toen hij midden onder de muur was kon hij niet verder graven.
“Ik kan niet verder,” hoorde de eekhoorn hem roepen.
“Waarom niet?” riep de eekhoorn terug.
“Er is niets meer te graven.”
“Is er geen grond meer?”
“Nee.”
“Wat is er dan?”
Even was het stil. Toen klonk er een zacht een aarzelend: “Niets.”
De mier kroop terug en ging naast de eekhoorn staan. Hij sloeg de aarde van zich af.
“Er moet toch een andere kant zijn,” zei hij. “Dat moet!”
“Waarom moet dat?” vroeg de eekhoorn.
“Dat moet!” schreeuwde de mier. “Dat moet!” Hij stampte op de grond en liep woedend heen en weer. “Er moet iets zijn!”
“Wat dan?” vroeg de eekhoorn.
“Iets!!’” De stem van de mier sloeg over en leek wel omhoog te vliegen. Zijn gezicht zag er rood en verwilderd uit en zijn voelsprieten zaten in de war.
“Niets is verschrikkelijk!” schreeuwde hij. Toen kneep hij zijn ogen dicht en zei: “Nee. Niets is niet verschrikkelijk. Niets is niets.”
“Dat is dus nóg erger,” zei de eekhoorn voorzichtig.
“Nee!!” gilde de mier. Hij ging op zijn hoofd staan en zwaaide met zijn poten in het rond. “Dat is niets!!”
De eekhoorn zweeg en keek naar de grond. Hij drukte het puntje van zijn staart tegen zijn neus.
Als daar niets is, dacht hij, dan is hier dus alles. Hij keek naar de lucht en de vlakte en het bos in de verte en de mier naast hem. Dat is dus alles, dacht hij. Meer is er niet.
Hij knikte en was tevreden over wat er was. Meer hoeft er ook niet te zijn, dacht hij.
Maar de mier liep rood en voorovergebogen heen en weer. Zijn gezicht was vol rimpels en hij zei voortdurend, maar wel steeds zachter: “Er moet iets zijn. Dat moet. Dat moet.”
De eekhoorn kreeg honger en zei: “Laten we maar teruggaan.”
De mier zuchtte heel diep, keek nog één keer vertwijfeld naar de muur, zei nog één keer “Er moet iets zijn” en liep toen voor de eekhoorn uit de vlakte in.
Zwijgend liepen ze in de richting van het bos. Na een tijd keek de eekhoorn even om. De muur was al niet meer dan een dunne zwarte streep. Toen het donker was kwamen ze in het bos aan.
“De wereld valt me tegen,” zei de mier.
De eekhoorn zei niets.
“Weer iets dat me tegenvalt,” ging de mier verder en hij schudde zijn hoofd.
De eekhoorn dacht aan dingen die hem soms tegenvielen, zoals bedorven honing, staartpijn en onleesbare brieven.
Laat in de avond zaten ze in het huis van de eekhoorn, boven in de beuk, en aten rode stroop en hadden het over verjaardagen, over taarten, over de zon, over de geur van dennenhars, over de kraanvogel en over de zomer.
Over alles hadden ze het, behalve over de wereld en over niets.

Ds. Marieke Fernhout

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.