Blog: Nabijheid in tijden van corona (47)

Vrijdag 8 mei

Vandaag een heel ander onderwerp: voetbal! Gemeentelid Ruud Schwartz vertelt graag over zijn liefde voor dit ‘virus’ en zal dat in feuilletonvorm doen. Hieronder de eerste aflevering.

Ds. Marieke Fernhout

*****

Voetbal, wellicht niet het meest voor de hand liggende onderwerp voor een doelgroep van zich ‘vrijzinnig’ noemende gelovigen. En toch ga ik het er even over hebben. Voetbal, geregeld opgevoerd als “de meest belangrijke bijzaak in het leven”. En ik voel dat op sommige momenten ook zo. Dat zullen velen onder u wel sneu voor mij vinden, maar het is niet anders.

Op 14 jarige leeftijd ‘op voetbal’ en nu, als 70-plusser, nog steeds elke week mijn Walking Football-training met het noodzakelijke afsluitende onderlinge ‘partijtje’. En waarom mis ik dat (een klein beetje) in deze coronatijd? Met wat voor een virus ben ik in Godsnaam besmet?
Eerst maar de geschiedenis en daarna het fenomeen Walking Football: voetbal voor 65+.

Als kind wilde ik altijd al ‘op voetbal’. Dat vonden mijn ouders geen goed idee. Voetbal werd gekwalificeerd als ruw en onbehouwen, bovendien waren zij ervan overtuigd dat het taalgebruik dat bij de voetbalclub gehanteerd werd van weinig niveau getuigde. Eigenlijk een beetje ordinair, maar dat werd niet hardop gezegd.

Nee, ik mocht op de padvinderij! Daar leerde je nuttige dingen, zoals de ‘dubbele knoop‘ strikken, ‘de mastworp’ en op een houtvuurtje water warm maken… En ik had een akela met de achternaam ‘Lelieveld van Cingelshouck’. Dat was andere koek.

Ik ging op zondagschool en toen ik 12 werd op de Vrije Vogels, een jeugdgroep van de VCJC.
Daarmee ging je op kamp, naar Otterlo en Cadzand.
Ik heb ervan genoten, van de padvinderij, de zondagschool en van de Vrije Vogels. Niks mis mee.
Maar ja, niet op de voetbalclub.

Het grote moment kwam in de 2e klas van het voortgezet onderwijs. Ik was 14 jaar. Geen briljant student, kon gewoon meekomen en tot op dat moment ook altijd overgegaan en niet blijven zitten. Zo’n 6-7 leerling. Geen uitschieters naar boven en geen uitschieters naar beneden.
Behalve met het paasrapport in dat 2e schooljaar. Twee vieren en twee vijven. Dat betekende ‘zittenblijven’. Dat was voor thuis geen optie.
Uit de reeks van pedagogisch mogelijkheden om het zittenblijven van hun jongste zoon af te wenden, kozen mijn ouders de volgende variant: “…wanneer je overgaat naar de 3e klas, mag je ‘op voetbal’…” Een waar Godsgeschenk!

De twee vieren werden weggewerkt en tegenover de twee vijven stonden voldoende zevens om te compenseren. Naar de 3e klas, op het nippertje!

Het is augustus 1962, mijn eerste training, mijn eerste wedstrijd!

Wordt vervolgd.

Ruud Schwartz

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.