Blog: Nabijheid in tijden van corona (49)

Maandag 11 mei

Vandaag een bijzonder tweegesprek tussen David en Johannes Willemsen!

Ds. Marieke Fernhout

*****

Gedachten bij 10 mei 1940, 4 mei en 5 mei 1945 (en 18 september 1944 en 18 april 1945)

Als je geboren wordt in juli 1942 in een Drents plattelands dorp, dan ben je een oorlogskind. Maar… wat weet je dan nu nog van/over de oorlog? Daar gaat dit TWEEGESPREK over. Tussen DAVID en JOHANNES. 

Traditioneel kreeg ik de naam van mijn grootvader van moeders kant. Die heette dus David. Volgens mijn moeder zag ik, als baby, er schattig Joods uit. Ik had zwart krullend haar en absoluut geen Saksisch klein neusje. Noch mijn moeder, noch mijn vader waren Joods. Als tegengewicht bedacht mijn moeder een goed ‘Nieuwtestamentische’ tweede voornaam: Johannes. Heeft het geholpen? Ik geloof het wel. Ons gezin met een echt Joodse jongen, overleefde de oorlog.

Op 8 of 9 mei 2020 vroeg Johannes aan David: “Waar denk jij eigenlijk aan op 10 mei?”
“Moet dat nou, we hebben net 4 en 5 mei gehad?”

David vertelde: “Op 10 mei 1940 moest ik nog geboren worden. Een tante van mij werd geboren op 10 mei 1900. Die heeft de Eerste Wereldoorlog (de Grote Oorlog) en de Tweede Wereldoorlog beleefd. Ja, ik weet het, tijdens de Eerste Wereldoorlog was ons land, waren wij neutraal. Maar als je in Zeeuws-Vlaanderen woonde, zoals die tante, hoorde je de kanonnen schieten in België en kwamen de Belgische vluchtelingen over de grens. Die werden in kampen ondergebracht. Op 10 mei 1940 was mijn oom uit Zeeland in Amsterdam opgeroepen. Een goede vriendin overleefde het bombardement van Rotterdam. Daar zag ik veel later foto’s van. De verwoesting van steden.
In 1948, zag ik de verwoeste Grote Markt in Groningen. In 1958 de verwoeste binnenstad van Hamburg. En als je in 1970 in Arnhem komt wonen en werken, ken je de foto’s van de verwoeste Eusebius en het hart van de stad bij de brug in september 1944.”

“Maar David, aan welke mensen denk je dan?”
“Op 4 mei denk ik vooral aan dr. Eli Aaron Cohen en Jurek (Jerzi Hronowski) en op 5 mei aan Johnny, de Canadese chauffeur van de Padre.”

“Vertel!”
“In 1991, na de val van de Berlijnse muur, ging ik voor de eerste keer met mijn zussen en mijn Duitse nicht Renate naar Noord-Polen. In de buurt van Danzig/Gdansk. In 1992 ging ik weer, met Renate en mijn oudste zus, nu naar Zuid-Polen; Auschwitz. Toen ik in 1992 naar Polen zou gaan, vertelde ik dat aan mijn buurman, de huisarts Eli Cohen. Hij keek mij langdurig aan: ‘Waarom ga je naar Polen, waar ga je naar toe? Naar Auschwitz?’ Hij rolde de rechter mouw van zijn overhemd op en liet mij zijn getatoeëerde KZ-nummer (KZ: Konzentrationslager) zien. ‘Weet je waarom ik het heb overleefd? Mijn vrouw en mijn zoon zijn vergast, ik had mijn doktersbul van de universiteit in mijn bilnaad toen we daar naakt naast de trein uit Westerbork stonden. Dat heeft mij gered!’

In Auschwitz leerde ik Jurek kennen. Renate had hem leren kennen aan het begin van de jaren 60, toen zij als 16-jarig meisje vanuit Wolfsburg, in het kader van een soort ‘studiereis’, voor de eerste keer naar Polen ging en daar in het voormalige KZ werd rondgeleid – door Jurek. Speciaal voor ons was hij nu uit Warschau gekomen om Renate en ons weer te ontmoeten. ‘s Avonds vertelde hij ons hoe het kwam dat hij drie (3) KZ-nummers had. Het eerste, nummer 227, stamde uit juni 1940. En hij was geen Jood, voegde hij er nog maar aan toe. Hij geloofde niet (meer) in God, maar vond het wel een Godswonder, dat hij drie KZ’s had overleefd.”

“David, vertel dan nu over de bevrijding.”
“Ja, Johannes, je zult begrijpen dat ik op 18 april 1945, toen ons dorp werd bevrijd door de Canadezen, nog drie jaar moest worden. Dit heeft mijn moeder mij verteld.
Na de bevrijding bleven de Canadezen nog tot midden augustus ‘45 als een soort bezettingsmacht in ons land. De officieren werden bij burgers ingekwartierd en zo kregen mijn ouders de ‘Padre’ over de vloer (min of meer een collega van mijn vader). De Padre, die ons in 1955 nog eens kwam opzoeken, had een eigen chauffeur, Johnny. Op een zonnige voorjaarsdag parkeerde Johnny de grote jeep, met van alles maar ook met munitie erin, op de oprit die bij ons een áfrit was, van de straat naar huis. Het hele gezin met de Padre en Johnny zat om vier uur thee te drinken, toen Johnny, ook al konden zijn ogen het niet geloven, zijn jeep langzaam maar zeker, steeds wat harder, naar het huis zag rollen. Met een snoekduik wist hij de handrem net op tijd weer aan te trekken, een halve meter voor de zijgevel. Met een wit vertrokken gezicht kwam hij met mij op zijn arm uit de jeep. Ik wilde autorijden, dat had ik toch wel vaker met Johnny gedaan??

Weet je Johannes, ik zal een andere keer wel meer vertellen, nu vind ik het moeilijk. Maar over die Jurek, die Poolse misdadiger volgens de Duitsers, en latere partizaan, nog dit. Met Jurek gingen we in Warschau naar het grote voetbalstadion. Daar op de bovenste ring van de tribunes was er eens per week een grote markt, voor zover dat kon tussen en op de stoelen. Vanuit Mongolië kwamen kooplieden met hun waar. Ook uit Finland en uit Azië. Daar leerde Jurek mij kaviaar proeven. En ‘s avonds bij hem thuis spraken we over het boek van Primo Levi, ‘Is dit een mens’.

David J. Willemsen

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.