Blog: Nabijheid in tijden van corona (7)

Maandag 23 maart
Dit blog komt later op de dag/avond dan de bedoeling was; na de persconferentie van de minister-president en de ministers van resp. Justitie en Veiligheid, Volksgezondheid en Medische Zorg moest er eerst wat ‘herstructurering’ plaatsvinden. Daarover in volgende blogs meer, maar hieronder mijn overwegingen van vandaag…

Dat taal een fenomeen is dat vele mensen op diverse manieren bezighoudt, prikkelt, bemoedigt én amuseert, werd me de afgelopen dagen weer eens duidelijk.
Het begon met een mail die Echtgenoot kreeg, van een kennis die altijd wat kort en ‘hoekig’ schrijft, over het afgelasten van de Paasdienst. De overweging van de mailer was als volgt: ‘Misschien dat de opstanding van de Heer Jezus even moet worden uitgesteld.’
We lagen in een deuk. De mailer bedoelde natuurlijk heel serieus dat de Paasdienst uitgesteld zou moeten worden naar een later tijdstip en dat er dan alsnog iets ‘Pasigs’ zou kunnen plaatsvinden, maar het ‘las’ alsof hij Jezus wilde vragen nog even in zijn graf te blijven…

De volgende dag waren Oudste Dochter en ik aan het filosoferen over toeval en zingeving. Het uitgangspunt was een verhaal van iemand die een lijst had gemaakt van alle mensen die op 11 september 2001 in één van de twee Twin Towers hadden moeten zijn, maar allemaal om de één of andere reden verlaat of verhinderd waren. De één had bijvoorbeeld bij het aankleden een schoenveter stukgetrokken en moest eerst nieuwe veters kopen. De ander bleef net iets te lang bij de krantenkiosk staan kletsen en miste zo zijn metro. Kortom: door ‘toeval’ waren ze niet in de Twin Towers op het tijdstip van de aanslagen en konden die dus overleven… We praatten hierover in de keuken, terwijl ik tegen het aanrecht geleund stond en Oudste Dochter bezig was een tosti te maken. We kregen het over de ándere kant van dit verhaal: als het voor deze mensen géén toeval zou zijn dat ze aan de aanslagen waren ontkomen, was het dan ook ‘geen toeval’ geweest dat al die andere mensen wél omgekomen waren? Daar wilden we (natuurlijk) niet aan – je bent Arminiaan of je bent het niet. 😉 Enfin: ik wilde iets zeggen over de behoefte aan zingeving, die in dergelijke discussies over toeval doorklinkt, en begon zo: “Al dit soort gedachten over toeval komen volgens mij allemaal voort uit één vraag:…” en precies op dat moment vroeg Oudste Dochter, met haar hoofd in de koelkast: “Is er nog ham?” We kwamen niet meer bij – over een letterlijk voorbeeld van ‘de hamvraag’ gesproken…

En dan was er de ‘poëziekring’ die de afgelopen dagen in de mail voorbijkwam. De opzet was een soort kettingbrief, waarbij je één gedicht moest sturen aan de persoon die bovenaan de maillijst stond, en de mail zélf moest kopiëren en rondsturen aan een aantal mensen uit je mailadressenbestand. En dan kreeg je vanzelf van verschillende mensen verschillende gedichten… Of het systeem helemaal waterdicht is weet ik niet, maar ik heb een aantal prachtige gedichten ontvangen (en meteen opgeslagen natuurlijk). Daarom besluit ik vandaag met het gedicht van Kalil Gibran dat een gemeentelid me toestuurde:

Het lied van de bloem

Ik ben een vriendelijk woord,
door de stem van de natuur geuit en herhaald.
Ik ben een ster, gevallen van het blauwe firmament
Op het groene grastapijt.
Ik ben de dochter der seizoenen,
door de winter onder het hart gedragen,
door de lente gebaard,
door de zomer grootgebracht
en ter ruste gelegd in het bed van de herfst.
Bij de dageraad verenig ik mij met de bries
om de komst van het licht aan te kondigen;
in de avondstond voeg ik mij bij de vogels
om de dag vaarwel te zeggen.
De vlaktes zijn getooid met mijn fraaie kleuren,
de lucht gaat zwanger van mijn geuren.
Als ik de sluimer omhels,
waken de ogen van de nacht over mij;
ontwaakt, staar ik naar de zon,
het enige oog van de dag.
Ik drink dauw als wijn,
ik luister naar het kwinkeleren van de vogels
en dans op het ritmisch zwaaien van het gras.
Ik ben de gave van de liefde.
Ik ben de bruidskrans.
Ik ben de herinnering aan een ogenblik van geluk.
Ik ben de laatste gift van de levenden aan de doden.
Ik maak deel uit van vreugde en verdriet.
Altijd kijk ik hemelwaarts om enkel het licht te aanschouwen,
Nooit sla ik de blik naar beneden om mijn eigen schaduw te zien.
Dit is een wijsheid die de mens zich nog niet eigen heeft gemaakt.

Ds. Marieke Fernhout

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.