Blog: Nabijheid in tijden van corona (96)

Dinsdag 7 juli

Van Anneke van Maanen ontving ik het onderstaande zeer lezenswaardige artikel uit NRC van zaterdag 4 juli jl. over de openbare ruimte. Het is geschreven door journalist en stadsonderzoeker Tijs van den Boomen, redacteur en uitgever Simon Franke en directeur Must Stedebouw Wouter Veldhuis.

*****

Plak onze openbare ruimte niet af
‘De geplastificeerde A4’tjes met pijlen en hygiënemaatregelen op het hek van de Amsterdamse Louis Bouwmeesterschool laten geen ruimte voor misverstanden, het hek zelf trouwens ook niet: het is bijna manshoog. Zelfs de bank op de stoep, dus buiten de hekken, is met rood-wit lint afgezet. Hier. Heerst. Veiligheid.

De A4’tjes en het lint zijn van recente datum en tekenen het nieuwe normaal van de coronatijd; de hekken om het schoolplein staan er al veel langer en die zou je dus tot het oude normaal kunnen rekenen. Maar wat is normaal? En wat zou normaal moeten zijn?

De reflex die de coronapandemie oproept is: beheersbaarheid vergroten door afstand fysiek af te dwingen. Ontwerpers staan de trappelen om deze anderhalvemetersamenleving vorm te geven. Daarbij grijpen de meesten overigens niet, zoals de Louis Bouwmeesterschool, naar stalen hekken. Nee, het moet er vooral vriendelijk uitzien, met veel plexiglas, looplijnen en groen.

Niet verbieden, maar nudgen luidt het parool – deze aanpak zie je in extreme mate bij het Parc de la Distance van het Oostenrijkse bureau Studio Precht. Dat ontwerp laat een park zien in de vorm van een doolhof van concentrische cirkels van hoge heggen. Bezoekers houden daardoor niet alleen sociale afstand, ze kunnen elkaar niet eens zien. Middenin de stad ben je alleen, de ander hoor je enkel nog. Het wordt ons verkocht als een kwaliteit waarvan we ook na de coronacrisis zullen profiteren: alleen zijn in de publieke ruimte.

Anderen richten hun energie op de inrichting van aparte zones voor kwetsbare mensen. Zo pleitte Frank Suurenbroek, lector bouwtransformatie aan de Hogeschool van Amsterdam, in Trouw  voor ‘Corona Safe Zones’ van waaruit je “zicht op het gewone leven in de buurt” hebt.

Alhoewel het uitgangspunt veel sympathieker is dan Prechts publieke alleen-zijn, gaat ook dit idee in tegen het wezen van de publieke ruimte, namelijk een gedeelde ruimte. Want waar zullen we nog mensen buiten onze bubbel treffen als alles gereglementeerd, geprogrammeerd en geprotocolleerd wordt, als we ons via looplijnen en sluizen bewegen van afspraak naar reservering naar tijdslot?

Kuchschermen
Er is inmiddels veel geschreven over sociale gevolgen van de lockdown als eenzaamheid, huiselijk geweld, leerachterstand, depressie en armoede. Weliswaar worden de maatschappelijke achtergronden aangestipt die maken dat bepaalde groepen extra hard worden getroffen, maar de focus ligt consequent op de individuele effecten. De politiek-maatschappelijke consequenties zijn ons inziens nog onvoldoende belicht. En dat is hard nodig, nu de opening up van de publieke ruimte een een-tweetje dreigt te worden tussen veiligheid enerzijds en economie anderzijds, wat uitmondt in grote terrassen met kuchschermen om veilig te consumeren.

De afgelopen maanden, waarin de straten en pleinen op wat schimmen na leeg bleven, maakten in één klap duidelijk dat de kernkwaliteit van onze steden het publieke karakter is. Ze kunnen mooi of lelijk zijn, schoon of vies, gezond of gevaarlijk, vitaal of tanend, maar als de publieke functie wegvalt, houd je een maquette over.

Natuurlijk waren er positieve uitzonderingen: kinderen die met andere buurtkinderen tussen de geparkeerde auto’s speelden en de stoep vol krijtten, buurtbewoners die een praatje maakten in de rij voor de bakker, het buurtparkje dat ineens een kleine oase bleek in een stenen stad.

Maar dat zijn, hoe sympathiek ook, hoofdzakelijk ontmoetingen binnen onze eigen bubbel en vooral: het zijn een-op-een-contacten, precies van het soort dat ontwerpers graag in hun presentatie fotoshoppen: een skater die bewonderend wordt gadegeslagen door een vriendje, een vrouw met kinderwagen, twee oude mensen op een bankje. Zulke voorgeprogrammeerde ontmoetingen geven je het gevoel dat je naar The Truman Show zit te kijken.

De lockdown heeft ons de kwetsbaarheid én het belang van de publieke ruimte laten zien. Zonneklaar werd ineens weer dat we, ook als publieke actoren, lichamelijke wezens zijn. Het blijkt namelijk niet te gaan om eloquente debatten op de agora: in de publieke ruimte lezen we elkaars lichaamstaal, interpreteren we elkaars fysieke verschijning, vangen we terloopse opmerkingen op, creëren we een beeld van de werkelijkheid aan de hand van onze medemensen. Vrij naar Hannah Arendt: politiek is het staan voor je mening tegenover andere mensen.

Terwijl sociale media enkel de scherpste en onverzoenlijkste geluiden versterken en algoritmes de maatschappelijke verdeeldheid aanjagen, is het publieke domein een plek waar de, al dan niet stilzwijgende, reactie van omstanders een indicatie geeft van een common ground.
En misschien nog wel belangrijker: het publieke domein heeft een dempende werking, hier verliest de boude bewering aan scherpte.

Op een markt met veel moslims luid verkondigen dat “al die buitenlanders hun boerka’s nu voor onze monden proberen te binden” is minder asociaal dan diezelfde opmerking vanuit het digitale schuttersputje de wereld in slingeren. Het is, positief geformuleerd, een poging om een discussie aan te gaan of, negatief gezien, een gefrustreerde schreeuw om aandacht. Mensen radicaliseren als ze niet gehoord worden.

Functionalistisch Nederland
Per 1 juli zijn veel maatregelen versoepeld, maar de boodschap blijft: houd anderhalve meter afstand. Het zou een grote vergissing zijn om dit gedragsvoorschrift op te vatten als een ontwerpopgave. Natuurlijk kun je cirkels trekken in de parken waar binnen je moet blijven als je gaat picknicken, kruisen op een plein zetten waar je moet gaan staan om te demonstreren en manshoge schotten plaatsen tussen de tafels van een terras. Maar Roos van der Lint waarschuwde in De Groene Amsterdammer terecht: “De tijdelijke noodregels worden gegoten in de wet, de linten en het tape die looproutes en grenzen aangeven zullen spoedig muren en hekken zijn.”

Het grote gevaar van de term ‘het nieuwe normaal’ is dat we de samenleving aanpassen aan het probleem. In het door en door functionalistische Nederland zijn ontwerpers grootmeesters in probleemoplossingen op het scherp van de snede.

Is anderhalve meter de norm? Nou, dan maken we toch alles precies anderhalve meter! De Nederlandse architectuur is internationaal groot geworden met het tot in het absurde letterlijk nemen van het Programma van Eisen: u krijgt wat u voorschrijft.

De algemene les van de coronacrisis is dat we onze kwetsbaarheid moeten verminderen. In de economie betekent dat: niet meer lean and mean, maar buffers aanleggen. Niet meer just in time, maar just in case. Wat betekent dat voor de inrichting van de stad?

De afgelopen decennia zijn woningen in de stad steeds kleiner geworden, want met studio’s van twintig vierkante meter zonder buitenruimte was nu eenmaal veel geld te verdienen. Die zijn goed leefbaar in een stad vol cafés, flexibele werkplekken en andere third places, maar toen die voorzieningen op slot gingen, voelden ze plotseling als gevangeniscellen. Niet vreemd dat architect Reinier de Graaf van OMA in NRC (29 mei) pleitte voor de bouw van grotere woningen met een patio of balkon.

Maar de woningbouw is een olietanker, dus wonderen zijn in de nabije toekomst niet te verwachten. Bovendien geven woningbouwers slechts een individueel of hoogstens een collectief antwoord op de crisis, geen publiek. De nadruk op verbetering van de woningen kan zelfs een publieke verarming bewerkstelligen doordat mensen zich terugtrekken in de eigen enclaves. Tot nu toe is de aversie tegen gated communities in Europa vrij groot, maar de roep erom zal zeker toenemen.

Angst, en de regulering daarvan, zijn wezenlijke kenmerken van de stad: hoe gaan we om met verschillen en confrontaties? Een hoofdrol is daarin weggelegd voor de openbare ruimte, maar alleen als die ook werkelijk als publieke ruimte functioneert.

‘Ville’ of ‘cité’?
Openbare ruimte hadden we tijdens de lockdown meer dan ons lief was; de Dam was een verlaten vlakte en bepaald niet de mooiste van het land. Slechts een handjevol mensen volstond op 4 mei om er een indrukwekkende publieke ruimte van te maken. En op 1 juni trok de eerste demonstratie sinds de lockdown zoveel demonstranten dat voldoende afstand houden onmogelijk werd, wat tot nationale ophef leidde.

Deze twee voorbeelden tonen de politieke functie van de publieke ruimte, maar het gaat ons om de bredere betekenis ervan, namelijk de maatschappelijke. Socioloog Richard Sennett maakt, onder andere voortbordurend op het werk van onder andere Jane Jacobs, onderscheid tussen ville en cité, oftewel tussen de geplande stad en de geleefde stad. In de moderne stedenbouw ligt de nadruk op het eerste: het gaat om wegen, ruimtes, functies, stromen – niet om straten, plaatsen, mensen, leven. Sennett probeert beide werelden te verzoenen om zo te komen tot een open stad.

Maak het niet te hermetisch, benadrukt Sennett keer op keer: bouw niet voor de eeuwigheid, zorg dat je dingen kunt aanpassen en repareren, probeer niet alles vanuit één gezichtspunt te plannen, laat een zekere mate van chaos toe.

Er is geen enkele (corona-)reden om ontmoeting, uitwisseling en confrontatie los te laten als uitgangspunten voor de vormgeving van de stad. En daarbij hebben we overmaat nodig: straten die breder zijn dan strikt noodzakelijk, parken die groter zijn dan de groennorm. De stad is geen strak maatpak, maar een comfortabele jas, die je steeds vermaakt en die met de jaren steeds lekkerder gaat zitten.

Terug naar de Louis Bouwmeesterschool. Om de kwetsbaarheid van de stad te verkleinen, zou je de hekken om het plein juist weg moeten halen, zodat de speeltoestellen ook door andere groepen en op andere momenten kunnen worden gebruikt. Tijdens een nieuwe lockdown bijvoorbeeld, maar ook aan het einde van de schooldag en in het weekend.

Het gaat niet om een grand design van de publieke ruimte, maar om talloze kleine en grote interventies voor pleinen en parken, stations en scholen, hoeken en stoepen. Zulke interventies zijn altijd lokaal, specifiek en lichamelijk.

Wat we nodig hebben zijn bankjes en gastheren – geen hekken en cameratoezicht.

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.