Meditatie november

Meditatie november

Verhalen over ‘hoe het begin begon’: daarmee begon muziektheatergezelschap Rood Mos de serie voorstellingen rond scheppingsverhalen en ontstaansmythen, op 29 september jl. Omlijst door muziek van verschillende instrumenten kwamen er in deze eerste voorstelling een aantal ‘beginverhalen’ voorbij – uit het antieke Griekenland, uit het Verre Oosten, uit Afrikaanse landen… Terwijl ik zeer geboeid zat te kijken en te luisteren, begon ik me ondertussen, ergens in mijn achterhoofd, af te vragen wat scheppingsverhalen nu precies ‘doen’. Het verhaal over waarom hemel en aarde zo ver van elkaar zijn weggeraakt (omdat die man die zijn grote mes hief, om er een kokosnoot mee in tweeën te klieven, steeds een stukje van de hemel opensneed en de hemel daardoor steeds een stukje verder omhoog ging), het verhaal over hoe eb en vloed ontstonden (omdat de wereldbol, die aan twee zijden draden tussen de horens van de koe hing die op de rug van de walvis stond, uiteindelijk tóch in beweging kwam en met de wereldbol het water – heen en weer en heen en weer), het verhaal over het ei dat nog steeds in de aarde rust (tot de volgende voorstelling?) – allemaal zijn het verklarende verhalen. Over waarom de dingen zijn zoals ze zijn. En het is logisch dat een verhaal uit het oude Griekenland andere natuurbeelden gebruikt dan een verhaal uit Afrika of Japan, dat de mensen anders gekleed zijn en andere gewoonten hebben – dat zijn ‘gewoon’ culturele, historische, sociale etc. verschillen. De dingen in China zijn nu eenmaal anders dan de dingen in Peru. Scheppingsverhalen verklaren de wereld, of althans een stukje ervan.

Hebben scheppingsverhalen ook ‘moralen’? Als ik aan het scheppingsverhaal (of eigenlijk de twee scheppingsverhalen) uit Genesis denk, zou ik in eerste instantie meteen ‘ja’ zeggen. Ja, natuurlijk heeft dat verhaal over de schepping van hemel en aarde, man en vrouw die van de verboden vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad eten een moraal, want dat mag niet en daarvoor worden ze gestraft! Maar in tweede instantie denk ik: nee, ook ‘ons’ scheppingsverhaal is een verklarend verhaal. Het is niet opgeschreven om kindertjes bang te maken voor sprekende slangen en vrouwen te onderdrukken omdat ze mannen verleiden stoute dingen te doen. Het is een verhaal over waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Waarom mannen, vrouwen, mensen, op deze aarde leven met een beeld in hun hoofd van hoe het zou kúnnen zijn, misschien wel hoe het zou móeten zijn – een paradijs – maar hoe het realiseren van dat paradijs hen in de weerbarstige werkelijkheid vaak bij de handen afbreekt. Geen verhaal over zonde of schuld, maar een verhaal van verlangen en onmacht. Van wel willen, maar vaak niet kunnen. Maar omdat het lastig leven is met onmacht en machteloosheid, moet er een schuldvraag aan te pas komen – met bijpassende moraal. Dat ik dus in eerste instantie dacht dat ‘ons’ scheppingsverhaal een moraal heeft, heb ik te danken aan de eeuwenoude invloed van mijn eigen ‘kaste’, die der theologen. Begrijp me niet verkeerd: ik zou zó weer theologie gaan studeren. Maar dan weer, en steeds opnieuw, om voorbij de ‘inlegkunde’ te kijken, om de verhalen te bevrijden van moraal en schuldvraag en ze opnieuw te laten klinken, te laten vertellen waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Niets meer – en vooral niets minder.
 
Tot slot een kleine variatie-met-een-knipoog op ‘ons’ scheppingsverhaal, dat ik ooit ergens las. Ik kan geen verdere bronvermelding geven, misschien is er een lezer die weet waar dit verhaal vandaan komt?
“God had de man en de vrouw en alle dieren en dingen geschapen en hij zei tegen de man: ‘Ga jij nu eens leuke namen verzinnen voor de dieren.’ Dat vond de man een spannende opdracht en hij ging voortvarend aan de slag. Aanvankelijk ging het hem makkelijk af. Dat grote grijze bakbeest met die slagtanden en die enorme slurf: dat moest wel een olifant heten. Dat kleine grijze piepertje met de lange staart: die noemde hij muis. Die gezellige flapoor met die zwarte neus, die altijd zo vrolijk blafte: dat was de hond.
Zo ging de man door met namen geven aan de dieren en hij zou zijn taak naar tevredenheid hebben afgerond, ware het niet dat er één dier was waarvoor het hem niet lukte een goede naam te vinden. Het was geen groot dier, het kwam hooguit tot halverwege zijn kuit en daar drukte het zich met zijn zachte vacht vaak tegenaan. Dan maakte het een vriendelijk geluid, ergens diep in zijn keel. De man probeerde allerlei namen uit voor dit kleine schepsel, maar geen enkele naam paste. Koe? Nee, die was al vergeven en bovendien te groot. Mier? Nee, die liep alleen maar heen en weer met blaadjes op zijn rug. De man werd er wanhopig van, hij piekerde zich suf, maar kon geen goede naam bedenken. In gedachten verzonken zag hij nauwelijks dat de vrouw op hem afkwam en verwachtingsvol aan hem vroeg: ‘Wat vind je van mijn nieuwe vijgenblad?’ Ze draaide wat voor hem heen en weer met haar nieuwe outfit, maar hij kon alleen maar aan de naam voor dat ene dier denken en zei dus nogal afwezig: ‘Mooi hoor.’ Alsof de hel losbrak; de vrouw zette toch een keel op! Dat hij haar niet zag staan, dat hij geen aandacht aan haar besteedde, dat hij alleen maar met die stomme dieren en die stomme namen bezig was… Zo ging ze nog even door, draaide zich tenslotte kwaad om en holde weg. De man had met stijgende verbazing naar haar woede-uitbarsting geluisterd, en toen ze wegrende kwam er maar één woord in hem op: ‘Kat!’ Dat riep hij haar na. En opeens wist hij de naam voor dat ene dier, dat zo genoeglijk kon spinnen en zo’n zachte vacht had – maar opeens uit kon halen met haar nagels en kon blazen naar alles en iedereen die in haar buurt kwam. En zo is de kat aan zijn/haar naam gekomen…”

Ds. Marieke Fernhout

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.