Preek 22 maart 2020

Gemeente van de levende Heer, goede mensen,

Vandaag geen blog maar een preek – macht der gewoonte…

Het is vandaag zondag ‘Laetare’ oftewel ‘Verblijdt u’, naar het begin van Psalm 122.

Ik was verheugd toen ze mij zeiden:
wij gaan naar het huis van de Ene!
Nu staan onze voeten
in jouw poorten,
o Jeruzalem!
(Psalm 122: 1-2, Naardense Bijbel)

Psalm 122 is het derde en laatste lied in de pelgrims-drieluik van de Psalmen 120, 121 en 122.
In Psalm 120 vlucht de psalmist weg uit het land waar hij verblijft, waar alleen maar mensen wonen die de vrede haten en uit zijn op oorlog.
Psalm 121 is een lied voor onderweg: Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan? Een lied van tasten en zoeken, van vinden en gevonden worden: door de Eeuwige, die de zanger leidt naar het doel van zijn pelgrimage: het huis van de Eeuwige, thuis, Jeruzalem.
En in dat Jeruzalem treedt de psalmist dan in Psalm 122 binnen…

Zo’n pelgrimslied in deze coronatijden heeft iets tegenstrijdigs. Want pelgrimeren kunnen we nu alleen maar in onze verbeelding doen; in de zintuigelijke, empirisch waarneembare werkelijkheid zijn de grenzen gesloten en zullen we niet ver komen. Tegelijk is de tocht naar en de thuiskomst in Jeruzalem juist nu heel concreet te vertalen als het verlangen naar het thuiskomen in de ons vertrouwde wereld, als alle restricties opgeheven zullen zijn, als we geen anderhalve meter afstand meer tot elkaar hoeven te bewaren, als we gewoon even mogen kuchen zonder dat anderen meteen van ons wegvluchten.
Hoe bijzonder het gewone dan kan worden…

Op deze vierde zondag in de Veertigdagentijd wordt uit het evangelie van Johannes vaak het verhaal gelezen van de opwekking van Lazarus (Johannes 11: 1-44), of ook Johannes’ versie van de zogenaamde wonderbare spijziging (Johannes 6: 1-15). Heel kort en kort door de bocht samengevat zijn dit allebei ‘wonderverhalen’, ze beschrijven iets dat volgens de natuurwetten niet kan. Tegelijk zijn het ook verwijzende verhalen, ze wijzen vooruit naar waar het Jezus ten diepste om te doen is: mensen een blik geven op Gods Koninkrijk, een ‘preview’ van hoe het allemaal zal zijn als er geen honger en dorst meer is, geen leed meer en geen pijn, geen dood…
Deze verwijzende wonderverhalen in relatie tot de tijd waarin we nu leven, brachten me bij een genezingsverhaal zoals bijvoorbeeld Lucas dat heeft opgetekend in Lucas 5: 12-16. Jezus geneest hier een melaatse man – in de nieuwe bijbelvertaling is het woord ‘melaats’ vervangen door ‘huidvraat’. Een lekker plastische vertaling van een vreselijke ziekte die tot diep in de twintigste eeuw vele slachtoffers heeft gevraagd.
Omdat lepra besmettelijk is, werden de ‘leprozen’ uitgestoten uit de samenleving. In de middeleeuwen was het vaak zo dat ze, als ze een dichter bevolkt gebied, bijvoorbeeld een dorp of stad, binnentraden, hun komst moesten aankondigen door middel van een ratel, een klepper of een bel, zodat de gezonde mensen op afstand bleven.
Dit lijkt in grote lijnen toch wel beangstigend veel op onze huidige situatie, al is het grote verschil gelukkig wel dat coronapatiënten niet als paria’s worden beschouwd. We zijn immers allemaal potentiële slachtoffers van het coronavirus.
Maar dat coronapatiënten in quarantaine moeten gaan, dat we anderhalve meter afstand tot elkaar moeten bewaren: er is niets nieuws onder de zon…
En juist die afstand is wat het zo lastig, ja, soms bijna onmogelijk maakt.
De mens is een sociaal wezen, een groepsdier dat niet geschapen is om alleen te zijn (Paulus wist dat ook al). En in een groep zit je dicht naast elkaar en is aanraking iets vanzelfsprekends – ook al omdat onze huid ons grootste orgaan is. Ik heb het even opgezocht: onze huid weegt in zijn geheel zo’n vier kilogram en heeft een totale oppervlakte van anderhalf tot twee vierkante meter. En dat voor één mens… Maar als je dan niets ‘kunt’ met die huid, niets ‘mag’ met die huid…

In één van de steden waar Jezus kwam, stond er plotseling een man voor hem die door huidvraat getekend was. Toen hij Jezus zag, liet hij zich languit op de grond vallen en smeekte hem om hulp met de woorden: ‘Heer, als u wilt, kun u mij rein maken.’ Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein!’ En meteen verdween zijn huidvraat.
(Lucas 5: 12-13)

We zouden in deze coronacrisis bijna jaloers worden op deze melaatse man die door Jezus genezen wordt. Hij wordt tenminste wél aangeraakt!
Maar we weten het maar al te goed, we horen het elke dag meerdere malen: juist door afstand van elkaar te houden bevorderen we een beheersbare uitbraak van corona, waardoor de medische zorg in de breedste zin des woords niet wordt overbelast en we, met een beetje geluk en vooral hoop, elkaar over niet al te lange tijd weer wél gewoon aan kunnen raken. Een klap op de schouder, een hand op een andere hand, het zijn allemaal zulke vanzelfsprekende gebaren dat je er nauwelijks bij stilstaat – totdat het niet meer vanzelfsprekend is. En ik schreef het afgelopen week al in mijn blog: ik heb dan nog een man en twee dochters die ik aan kan raken en als zij daar op enig moment geen zin in hebben (‘Máááám! Hou nou eens op met dat kleffe gedoe!’) lopen er nog twee katten door het huis en zit er een cavia in een hok die heus ook wel geaaid willen worden (als het even kan moet daar wel wat tegenover staan in de vorm van resp. een kattensnoepje of een worteltje).
Maar ik denk in deze tijden veel aan mensen die alleen zijn en nog ‘allener’ worden. De oudere man die slecht ter been is en die zijn kinderen en kleinkinderen die boodschappen voor hem doen niet meer binnen mag laten. De vrouw met Alzheimer, die opfleurt wanneer iemand haar aanraakt, maar die in het verpleeghuis waar ze woont geen bezoek meer mag krijgen. Hartverscheurend is het, we staan er zo machteloos tegenover…
Daar tegenover is het natuurlijk hartverwarmend om te zien hoe ontzettend veel mooie initiatieven er ontstaan, hoe creatief mensen zijn  in het bedenken van oplossingen om elkaar tóch nabij te zijn, om elkaar te laten merken: ik denk aan jou, ik vergeet jou niet!

We weten niet hoe het verder gaat. Het is leven bij de dag, of in elk geval niet meer dan een paar dagen. Elke dag is er wel nieuwe berichtgeving en zelf denk ik, als ik onze minister-president en onze koning goed beluister, dat deze situatie wel eens een stuk langer zou kunnen gaan duren dan we ons nu voor kunnen stellen. Er vált ook niet zoveel voor te stellen – we hebben dit nog niet eerder meegemaakt.
Aan het begin van deze overdenking schreef ik over ons verlangen om thuis te komen, zoals de Psalmist op zijn pelgrimstocht naar Jeruzalem, in de ons vertrouwde wereld. Maar ik denk toch ook dat die wereld veranderd zal blijken te zijn. Want: wat doet het met ons mensen, als we zo lang afstand van elkaar moeten houden, als we zo ingeprent krijgen, dag in dag uit, dat een verkoudheid al gevaarlijk kan zijn omdat corona zo besmettelijk is ? Wordt ons vertrouwen in elkaar niet enorm op de proef gesteld?

Na deze laatste zinnen ging ik even van mijn computer af. Koken, eten, even in mijn telefoon kijken… en daar was opeens een ‘antwoord’ op die laatste vragen, in een app van een gemeentelid die een prachtige tekst doorstuurde van Susan Blanco van De Taalrecycler (een Facebookpagina). Susan heeft dit gedicht, ‘Maar de lente wist het niet,’ geïnspireerd op een tekst van Irene Vella, die het schreef naar aanleiding van de situatie in Italië. En terwijl ik deze tekst overnam voor deze overdenking, kwam hij nog een keer binnen via een app van een ander gemeentelid. Toeval…?

Maar de lente wist het niet

Het was begin 2020…
De mensen hadden een lange donkere winter achter de rug.
Februari was een hele onrustige maand geweest met veel stormen en veel regen.
De natuur was onrustig, alsof ze de mensen iets wilde vertellen, alsof ze de mensen ergens voor wilde waarschuwen…
En toen werd het maart.

Het was maart 2020…
De straten waren leeg, de meeste winkels waren gesloten, de meeste auto’s stonden langs de kant van de weg, de mensen kwamen bijna niet meer buiten en dat over de hele wereld, landen gingen op slot, de mensen konden niet geloven dat dit gebeurde, het was zo surrealistisch…
Iedereen wist wat er aan de hand was.
Maar de lente wist het niet.
En de bloemen bleven bloeien.
En de zon scheen… De eerste mooie lentedag sinds lange tijd brak aan.
En de zwaluwen kwamen terug.
En de lucht werd roze en blauw.
Het werd later donker en ’s ochtends kwam het licht vroeg door de ramen.

Het was maart 2020…
De jongeren studeerden online, vanuit huis.
Kinderen speelden onvermijdelijk vooral in huis.
Pubers verveelden zich, ouders wisten niet wat te doen.
Mensen kwamen alleen even buiten om boodschappen te doen of om de hond uit te laten.
Bijna alles was gesloten… Zelfs de kantoren, hotels, restaurants en bars.
Het leger begon uitgangen en grenzen te bewaken.
Mensen moesten vanuit huis gaan werken.
Ondernemers kwamen in de problemen.
De meeste kinderen konden niet meer naar school.
Er was ineens niet genoeg ruimte voor iedereen in ziekenhuizen, operaties en onderzoeken werden uitgesteld… Iedereen wist het.

Maar de lente wist het niet en het ontsproot.
Ze draaide onverstoorbaar haar jaarlijkse programma af.
Ze schonk ons haar mooiste bloemen en haar heerlijkste geuren.
Het was maart 2020.

Iedereen zat thuis in quarantaine om gezondheidsredenen of preventief.
Sommige mensen mochten niet meer naar hun werk, anderen móesten.
Elkaar omhelzen, kussen of een hand geven was ineens een bedreiging.
Iedereen moest flinke afstand tot elkaar bewaren, dat was afschuwelijk.
In de supermarkt waren allerlei schappen leeg.
Allerlei leuke dingen gingen niet meer door, daar werd een streep door gezet en niemand wist wanneer dat weer kon.
Mensen werden beperkt in hun vrijheid terwijl er vrede was.
Over de hele wereld werden veel mensen ziek en het was besmettelijk…
Er was isolatie, ziekte en paniek… Toen werd de angst pas echt!!

En de dagen zagen er allemaal hetzelfde uit…
En de weken duurden ineens veel langer…
En iedereen hoopte dat er niet nóg meer strenge maatregelen zouden volgen…
De mensen zaten vast in een film en hoopten dagelijks op dé held…
De wereld was vertraagd terwijl het geen vakantie was, niemand had dit verwacht…
Iedereen wist wat er gebeurde.

Maar de lente wist het niet en de rozen bleven bloeien.
De magnolia stond in de knop.
De vogeltjes begonnen aan hun nestjes.

En toen…
Het plezier van koken en samen eten werd herontdekt.
Iedereen gaf elkaar tips over leuke dingen die je met je kinderen kon doen.
Er was weer tijd om te schrijven en te lezen, mensen lieten hun fantasie de vrije loop en verveling ontsproot in creativiteit.
Sommigen leerden een nieuwe taal.
Sommigen ontdekten kunst.
Sommigen ontdekten dat ze niet écht leefden en vonden de weg naar zichzelf terug.
Anderen stopten met onwetend onderhandelen.
Iedereen had van de één op de andere dag veel meer tijd voor het gezin.
Eentje sloot het kantoor en opende een herberg met slechts vier mensen.
Anderen verlieten hun vastgeroeste relatie om de liefde van hun leven te vinden.
Anderen boden aan om voor kwetsbare mensen boodschappen te doen of te koken.
Iedereen wist ineens wat een ‘vitaal beroep’ was, deze mensen werden helden, ze werden meer gewaardeerd dan ooit.
Anderen gingen op afstand muziek met elkaar maken of zingen om op deze manier samen te zijn.
Mensen kregen oog voor eenzaamheid en verzonnen dingen om er iets aan te doen.
Mensen herstelden van hun stressvolle leven.
Mensen die elkaar niet kenden begonnen spontaan een praatje met elkaar.
Sommigen maakten vliegers van papier met hun telefoonnummer erop zodat eenzame mensen ze konden bellen.
De overheid ging bedrijven en zelfstandigen helpen zodat ze niet failliet zouden gaan of mensen zouden moeten ontslaan.
Gepensioneerde zorgpersoneel bood zichzelf aan om te helpen in de zorg.
Uit alle hoeken kwamen vrijwilligers, iedereen wilde iets doen.
Om 20.00 uur ‘s avonds gingen mensen uit allerlei landen klappen voor alle artsen, verpleegkundigen en zorgpersoneel die keihard aan het werk waren om in de zorg alles draaiende te houden.

Het was het jaar waarin men het belang erkende van gezondheid en verbinding, van saamhorigheid, van sociale contacten en misschien ook van zijn roeping, dit deed iets met het collectieve bewustzijn, dit deed iets met alle mensen…
En de economie ging bijna kopje onder, maar stopte niet, het vond zichzelf opnieuw uit.
Het was het jaar waarin de wereld leek te stoppen, het jaar waarin we met elkaar in de geschiedenisboeken zouden komen… Dat wisten we allemaal.

En de lente wist het niet.
En de bloemen bleven bloeien, en de bomen liepen uit.
En het werd steeds warmer.
En er waren veel meer vogels.

En toen kwam de dag van bevrijding…
De mensen keken tv en de premier vertelde iedereen dat de noodsituatie voorbij was
En dat het virus had verloren!
Dat iedereen SAMEN had gewonnen!!!
En toen ging iedereen de straat op…
Met tranen in de ogen…
Zonder maskers en handschoenen…
De buurman werd geknuffeld, alsof hij een broer was.
En de wereld was mooier en liefdevoller geworden.
En de mensen waren humaner geworden.
En ze hadden weer waarden en normen.
De harten van mensen waren weer open, en dat had positieve gevolgen.
Doordat alles stil had gestaan kon de aarde weer ademen, ook zij was genezen van wat de mensen háár veel eerder hadden aangedaan.

En toen kwam de zomer….
Omdat de lente het niet wist.
En hij was er nog steeds.
Ondanks alles.
Ondanks het virus.
Ondanks de angst.
Ondanks de dood.
Omdat de lente het niet wist,
leerde iedereen
de kracht van het leven…

Dat wij zó thuis mogen komen.

Amen.

Ds. Marieke Fernhout

Er zijn nog geen reacties.

Geef een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.